by PushtoLearn
This, These, That, Those
Inhoudsopgave
Oefeningen
This / These (dichtbij = hier)
We gebruiken this (enkelvoud) en these (meervoud) om te praten over dingen die dicht bij ons zijn.
-
This is my favorite pen.
-
These are my cousins Mark and Emma.
That / Those (ver = daar)
We gebruiken that (enkelvoud) en those (meervoud) om te praten over dingen die ver van ons af zijn.
-
That house looks very old.
-
I don’t need those shoes on the shelf.
Met of zonder een zelfstandig naamwoord
Aanwijzende woorden kunnen met een zelfstandig naamwoord of zonder een zelfstandig naamwoord worden gebruikt.
Met een zelfstandig naamwoord:
-
This book is really interesting.
-
I know that teacher very well.
Zonder een zelfstandig naamwoord:
-
Who is that? (= that person)
-
“What are those?” - “They’re my school notebooks.”
This is… (voorstellen & telefoon)
We gebruiken This is… wanneer we mensen voorstellen of de telefoon opnemen.
-
Hello, this is Alex. (on the phone)
-
Mia: “This is my brother Tom.” - Sarah: “Hi Tom, nice to meet you.”
Oefentip: Wijs naar voorwerpen om je heen en zeg this of that, afhankelijk van de afstand. Probeer daarna de meervoudsvormen these en those.